Mijn broer, mijn held. dutch

Lucas

Hoi, mijn naam is Lucas.

Ik ben gisteren met mijn papa en mama en grote broer Thomas in de Efteling geweest. Dat is een heel groot land in Nederland waar heel veel sprookjes figuren en ridders wonen. Maar er zijn ook heel veel snelle achtbanen waar ik graag in wil. Maar daar ben ik nog niet groot genoeg voor...

's Middags heb ik met mama een ijsje gegeten terwijl papa met Thomas naar de achtbaan van Joris ging. Daar kreeg Thomas een ridder pak, omdat hij Joris geholpen had een draak te verslaan. Ik wilde ook zo'n pak maar papa zei dat ik daar nog niet groot genoeg voor was. “Maar ik ben wél groot, ik ben al vier!”, riep ik boos, en stak mijn vingers omhoog. Maar toen begon iedereen te lachen. Later kreeg ik bij een andere winkel van mama mijn eigen kado, pantoffels met suffe belletjes. Echt weer iets voor kleine kinderen...

's Avonds zijn we blijven slapen in het luchtkasteel hotel. Maar ik heb die nacht niet kunnen slapen. Want toen ik uit het slaapkamer raam keek zag ik heel veel vuur en water boven de bomen uitkomen. Het land leek wel in brand te staan. Zouden de draken terug zijn gekomen voor Joris?

Ik rende naar het bed van Thomas en duwde hem aan, maar hij wilde niet wakker worden. “Je moet de draken bevechten, ze vallen het Efteling land aan”. riep ik terwijl ik zijn bed schudde. “Ga lekker zelf, jij wilde toch groot zijn?, mompelde hij in zijn slaap. Daar had hij wel een punt. Als ik een draak verslaan dan zou ik eindelijk een grote jongen zijn. En dan krijg ik morgen vast en zeker ook zo'n ridder pak...

Ik heb eerst nog even getwijfeld, want ik was toch een beetje bang. Maar iemand moest de bewoners van het Efteling land beschermen. En als Thomas dat niet deed zou ik het zelf maar moeten doen. Ik trok Thomas z'n ridder pak aan over mijn pyjama en nam het zwaard van tafel. Zachtjes liep ik de trappen af en verliet het luchtkasteel hotel. Buiten was alles super donker, op enkele lantaarns na. Ik volgde het pad en liep door verlaten dorpen en lege pleinen. Er was niemand meer te bekennen in het land. Gelukkig ook geen draken dus.

Plots hoorde ik gegrom en geschreeuw. Het kwam uit het Ravelijn kasteel. Snel rende ik ernaartoe. Binnen was het gevecht al begonnen. Drie grote draken hadden de aanval geopend op het kasteel en de Ravelijn ridders deden hun best ze te verslaan. Ik wilde ze heel graag gaan helpen maar mijn benen durfde opeens niet meer verder te lopen. Ineens hoorde ik een enorme knal. Een van de draken had met zijn staart het dak van de tribune kapot geslagen en zag mij staan. Hij schoot een vuurbal op mij af, maar die kon ik makkelijk opzij slaan met mijn zwaard. De draak werd kwaad en sloeg met zijn staart zo hard op de grond dat de hele tribune instortte. Ik sloot mijn ogen en bereide mij voor op de val. Maar ik viel niet op de grond.

Toen ik mijn ogen weer open deed zag ik dat Thomas mij had opgevangen. “Zo zo, dacht jij even een draak te verslaan?” zei hij lachend. Ik keek om mij heen en zag dat alle draken verdwenen waren. De ridders vierde hun overwinning. “Waarom ben jij hier”, vroeg ik hem verbaasd. “Om jouw te beschermen natuurlijk. Dat is mijn taak als grote broer, totdat jijzelf groot genoeg bent uiteraard.” “Maar ik wil niet meer groot zijn”, riep ik terwijl ik Thomas stevig omhelsde.

Lucas.... Lucas....? Kan je mij loslaten?

Ik opende mijn ogen weer en zag dat wij weer in onze luchtkasteel kamer waren. Het ochtend geworden. Thomas stond naast mijn bed en keek mij vragend aan. “Waarom wil je nu opeens niet meer groot zijn?”, vroeg hij. “Omdat ik de draak niet kon verslaan, maar jij kon dat wél”. Thomas rolde met zijn ogen en duwde mij van zich af. “Draken bestaat toch helemaal niet”, zei hij terwijl hij zijn schoenen aantrok. “Wel waar, ik heb ze vanacht zelf gezien. En jij ook!”, riep ik boos. “Dat zal dan wel een droom geweest zijn. Kom je zo naar beneden voor het ontbijt?” vroeg Thomas terwijl hij de kamer uit liep. Was het echt een droom geweest? Ik trok mijn pantoffels met belletjes aan en pakte het zwaard op van de tafel. Op de achterkant zat een enorme brandvlek, en toen wist ik het zeker. Draken bestaan echt. Mijn grote broer is een held. En voorlopig blijf ik nog lekker even klein.